Algemeen
De Bordeaux Dog is een zachtmoedige, rustige hond die graag dicht bij zijn baas is. Hij is ongeschikt voor een leven als kennelhond. Hij is een trouwe, moedige en eerlijke beschermer van zijn mensen. Hij is zelfverzekerd en bedaard. Hij hoeft niet woest aan te slaan om indruk te maken en dat weet hij. De Bordeaux Dog is bij de F.C.I. ingedeeld in groep 2.1, de molossers van het mastifftype. Andere rassen die tot deze groep behoren zijn de broholmer, boxer, bulldog, bullmastiff, cane corso Italiana, cao fila de Saô Miguel, dogo argentino, duitse dog, fila brasileiro, mastiff, mastino napolitano, perro dogo mallorquin, rottweiler, shar pei en de tosa. Hoewel er onderling veel verschillen zijn tussen deze rassen, hebben ze toch een aantal kenmerken die ze verbinden.

Allereerst zijn daar uiterlijke kenmerken, zoals een brede schedel, met krachtig ontwikkelde, korte kaken (brachicefaal) en een massief lichaam. Rassen als de fila brasileiro, de Duitse dog en de dogo argentino zijn a-typische vertegenwoordigers; zij zijn niet kortschedelig, maar hebben juist langgerekte koppen.
Ook in het karakter zijn er raakvlakken tussen de rassen onderling. Zo hebben deze rassen over het algemeen veel behoefte aan gezelschap en zijn ze graag dicht bij hun mensen. Als het contact en de verstandhouding met hun baas goed is, hebben zij een drang om hun baas te behagen en hem en zijn bezittingen te beschermen. Het instinct om te waken is in deze rassen aanwezig, evenals moed en alertheid. De meeste molossers komen overigens niet zo waaks over; zij lijken wat flegmatisch en rusten veel. Deze rust is echter ten dele schijn; altijd is de hond alert op zijn omgeving. Hij is echter te zelfverzekerd om bij ieder geluid overeind te springen. Hij neemt de geluiden uit zijn omgeving in zich op en reageert slechts dan als hij het idee heeft dat er iets niet in orde is.

Herkomst
De Grieken, en later de Romeinen, hebben een belangrijke rol gespeeld in de verspreiding van molossers in Europa. Er waren verschillende typen mastiffachtige honden; sommige lichter van bouw, die geschikt waren voor de jacht, en andere zwaarder en forser, die werden ingezet als bewakingshond. De Bordeaux Dog stamt af van mastiffachtige honden die vooral in het gebied van Bretagne bekend waren. Deze grote, sterke voorouders van de Bordeaux Dog waren legerhonden die hun werk deden tijdens de vele veldslagen.
Op een gegeven moment is men de Franse mastiff gaan kruisen met de Engelse mastiff, die groter was. Zo wilde men tot een nog grotere molosser komen.
Ook de Engelse bulldog werd naar Frankrijk geïmporteerd en aldaar gekruist aan de reeds aanwezige honden. Deze bulldog was echter wel van het oude type; groter, minder compact en beweeglijker dan de moderne bulldog.
In de Middeleeuwen hanteerde men de term ‘mastiff’ voor alle grote honden die een beschermende of bewakende taak hadden. Een andere naam die wel in zwang was, was ‘bandogge’, wat zoveel betekent als kettinghond. Inderdaad werden waakhonden overdag vaak vastgebonden om ’s nachts op het erf rond te kunnen lopen.
Alan Gaston Phébus, Conte de Foix, beschreef in 1387 in zijn boek over de jacht ‘Le Livre de la Chasse’ de ‘alans vautres’. De Alan was een krachtige hond die hoorde bij de Indogermaanse volksstam van de Alanen. De Alanen hadden zich in de Romeinse tijd gevestigd in het gebied tussen de Oeral en de Kaukasus. Zij werden er door de Hunnen verdreven, waarna ze zich over het gehele Romeinse rijk verspreidden. Toen de Alanen uitstierven, lieten zij hun honden na. Deze machtige Molossers werden in Noord-Spanje en in Aquitaine (wat nu de Médoc/Gironde is) gekruist aan inheemse honden. Dit waren de voorouders van de bordeauxdog, evenals die van de Spaanse perdiguero de Burgos. Toen modernere wapens de honden vervingen en zij hun legerbaantje kwijtraakten, ging men de honden voor andere doeleinden inzetten. Een van die nieuwe taken was het vechten als sport. In de hoofdstad van Aquitaine, Bordeaux, had men vechtarena’s die grote bekendheid genoten. De honden werden hiertoe bij feestelijke gelegenheden ingezet tegen wilde dieren als vermaak voor de adel. Later werden de wilde dieren vervangen door de stier en was het niet meer voorbehouden aan de adel, maar werd het een volksvermaak.
Lange tijd werden honden van dit type eenvoudigweg ‘Dogue’ genoemd. Ook sprak men van de ‘Mâtin’. De mâtin was de benaming voor alle grote erfhonden die werden ingezet voor verschillende taken. De naam ‘Bordeaux Dog’ kwam pas in omloop in de tweede helft van de 19e eeuw. In 1863 treffen we de naam Bordeaux Dog voor het eerst aan in de catalogus van de eerste Franse hondententoonstelling in le jardin d’Acclimatisation, het vrijetijdspark van Parijs. Dit was niet zozeer een show om kampioenen te plaatsen, maar veeleer een inventarisatie van de aanwezige rassen. Aan het eind van de 19e eeuw was de naam Bordeaux Dog pas echt gevestigd.

Gebruik
De Bordeaux Dog werd ingezet voor meerdere doeleinden. Hij was waakhond en vechthond, maar werd ook gebruikt bij de jacht op wild zwijn, als trekhond en als slagershond. In de Eerste Wereldoorlog werd het ras tevens ingezet om gewonden van het front weg te slepen naar veiliger gebied.
Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Bordeaux Dog vormt zijn taak als vechthond. Hij werd hierbij ingezet tegen andere honden, tegen beren, ezels, wolven of stieren. En dit allemaal alleen als volksvermaak, ter meerdere eer en glorie van de baas en uit geldbejag. Want er ging heel wat geld om in de weddenschappen die men daarbij afsloot. De hondengevechten werden in Frankrijk pas in 1914 verboden, maar gingen hier en daar clandestien toch verder. Het eind van de gevechten markeerde de neergang van het ras. De reputatie van de Bordeaux Dog was erg slecht. Hij stond bekend als een bijtgrage valserik. Geen wonder dat er buiten de scene van hondengevechten aanvankelijk weinig animo was voor deze honden.

Ontwikkeling
Aan het eind van de 19e eeuw bestonden er drie dogtypen in Frankrijk: de ‘Parisien’, de ‘Toulousain’ en de ‘Bordelais’. Daarnaast bestond er ook nog een kleinere dogvorm, die tot stand gekomen zou zijn door kruisingen tussen de Bordeaux Dog en de bulldog.
Uit informatiebronnen die ontdekt zijn door professor Raymond Triquet is gebleken dat aan het eind van de 19e eeuw Engels gefokte bullmastiffs voorkwamen in Frankrijk, in het gebied rond Bordeaux. Het ligt voor de hand aan te nemen dat deze honden gekruist zijn aan de reeds aanwezige doggen. Men vond bruikbaarheid van een hond belangrijker dan naleving van een standaard. Bovendien was er niet altijd overeenstemming over het gewenste uiterlijk.

Belangrijke namen
Vrijwel ieder ras kent een of meer mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandkoming ervan. Voor de Bordeaux Dog waren dat Pierre Mégnin, professor Kunstler en professor Raymond Triquet. Dierenarts Mégnin publiceerde in 1896 een studie over de Bordeaux Dog die leidde tot de eerste beschrijving van het ras in ‘L’Annuaire Richard’. Mégnin was een voorstander van een bruin masker. Kunstler schreef in 1910 een kritische studie, met daarin de eerste standaard voor het ras. Hij zag juist graag het zwarte masker. Hij verzette zich tegen de aanwezigheid van verschillende typen binnen het ras en maakte zich sterk voor meer uniformiteit. Triquet schreef de standaard van 1971 en wijzigde deze standaard in 1995. Tevens is hij de auteur van het boek ‘La Saga du Dogue de Bordeaux’ van 1997.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het niet goed met het ras. Er waren nog maar weinig Bordeaux Doggen over en de wederopbouw van het ras ging moeizaam. Pas rond 1970 kwam er dusdanige verbetering dat men kan spreken van een bloeiend ras in de jaren ’70.